Het gedrag is nooit het probleem. Het is de oplossing die je cliënt ooit vond.

Je zit in een sessie en iets klopt niet. Je cliënt vertelt helder, geordend, bijna afgewerkt. Alle feiten kloppen, de volgorde klopt, de toon klopt. En toch merk je dat je zelf verstrakt. Je stelt een vraag over wat ze voelde op dat moment, en het antwoord komt terug als een analyse. Weer een uitleg. Weer structuur.

Of het is net andersom. Je cliënt komt binnen met iets dat dringend voelt, ook al is er niets acuut gebeurd. Tegen het einde van de sessie wordt het moeilijker om af te ronden. Er komt nog een boodschap na, en nog een. Je voelt jezelf zoeken naar de juiste toon: aanwezig blijven zonder het kader te verliezen.

Je herkent dit. Je hebt er waarschijnlijk al een naam voor in je hoofd. En precies daar zit de valkuil.

De vraag die je stelt, bepaalt wat je ziet

De meeste therapeuten leren zichzelf een vraag stellen die klinkt als: waarom doet deze cliënt dit? Waarom die controle, waarom die urgentie, waarom die afsluiting net op het moeilijkste moment?

Het probleem met die vraag is dat ze uitnodigt tot labelen. Je komt uit bij een stijl, een patroon met een naam, iets dat aan de persoon kleeft. En van daaruit ga je het gedrag proberen bijsturen. Minder controle. Meer nabijheid. Minder afsluiten.

Alleen: gedrag dat je probeert weg te werken zonder de functie te begrijpen, komt terug. Vaak sterker.

De vraag die wél opent, is een andere: wat probeert dit te regelen? Niet waarom doet ze dit, maar wat doet dit voor haar. Veiligheid. Voorspelbaarheid. Troost. Nabijheid. Vier basisbehoeften die onder bijna elk gedrag liggen dat je in de sessie tegenkomt, ook het gedrag dat je het meest ontregelt.

Gedrag, patroon en functie: drie lagen in elke sessie

Wat je ziet in de sessie is nooit de volledige informatie. Er zitten drie lagen onder elkaar.

Bovenaan zit het gedrag: wat er zichtbaar gebeurt. De uitleg, de urgentie, het afsluiten, het te laat komen, het overmatig appen tussen sessies door.

Daaronder zit het patroon: wanneer stelt dit zich, bij wie, in welke context. Gebeurt het altijd rond afronding? Altijd wanneer het gesprek dichter bij iets kwetsbaars komt? Altijd met bepaalde figuren en niet met andere?

En helemaal onderaan zit de functie: wat probeert dit te regelen. Dat is de laag waar behandeling echt begint.

Als je alleen op het gedrag reageert, werk je op het topje. Je cliënt voelt dat, ook als ze het niet benoemt. En het gedrag komt terug, want de functie eronder is nog altijd actief.

Waarom het systeem van je cliënt dit doet

Dit is geen kwestie van wil of inzicht. Wanneer iemands systeem vroeger geleerd heeft dat gevaar dreigt, valt het onder druk terug op het kanaal dat toen het meest betrouwbaar was. Bij sommigen is dat denken: ordenen, plannen, uitleggen, afstand houden via structuur. Bij anderen is dat voelen: urgentie, nabijheid zoeken, snel escaleren, moeilijk kunnen afronden.

Geen van beide is een fout systeem. Het zijn strategieën die ooit hielpen om schade te beperken. Ze zijn functioneel geweest, en dat maakt ze taai. Elke keer dat de strategie kortstondig opluchting geeft, wordt het patroon een beetje bevestigd. Zie je wel, dit moet ik zo doen om veilig te blijven.

Dat is de gevaarcyclus. Ze herhaalt zichzelf niet omdat je cliënt vastzit in een stijl, maar omdat het systeem elke keer opnieuw gelijk krijgt.

Wat de functie-vraag concreet verandert in je sessie

Als je van gedrag naar functie kijkt, verandert er iets in hoe je vraagt en formuleert.

Je stelt geen vragen meer die uitkomen bij een label, maar vragen die uitkomen bij een patroon: wanneer stelt dit gedrag zich vooral, bij wie stelt het zich meestal, wat gebeurt er net voor en net na. Die vragen geven je de contouren van de functie, zonder dat je hoeft te gokken.

Je spreekt in hypothesetaal in plaats van in vaststellingen. Niet: jij doet dit altijd. Wel: ik kan me vergissen, maar ik heb de indruk dat dit een manier is om iets te regelen. Klopt dat, en wat maakt het precies moeilijk. Die toon claimt geen waarheid, maar bouwt samenwerking.

En je eindigt niet zonder hefboom. Een gesprek dat theorie blijft, verandert niets. Pas wanneer je vertaalt naar tempo, voorspelbaarheid of afstemming, wordt inzicht behandeling. Zullen we dit klein houden. Ik blijf betrokken en ik houd het kader vast. Dat zijn geen technieken, het zijn keuzes die rechtstreeks uit de functie volgen die je net samen benoemd hebt.

Een andere manier van kijken, niet een extra methode

Dit is geen extra stap die je toevoegt aan wat je al doet. Het is een andere ingang voor wat je al ziet. Dezelfde cliënt, dezelfde sessie, maar een andere vraag onderweg.

Niet wat is dit voor gedrag, maar wat probeert dit te regelen.

Die verschuiving lijkt klein. In de praktijk merk je het verschil meteen. Casussen die bleven hangen, krijgen ineens een richting. Niet omdat je meer weet, maar omdat je scherper kijkt naar wat er onder het gedrag zit.

Als je hier verder in wil, hebben we de Startersgids ‘Hechting als strategie’ geschreven: een heldere introductie in het DMM en in deze manier van kijken, met concrete tips om er morgen al mee aan de slag te gaan in je eigen praktijk.

Categorieën

Geef een reactie

Je e-mailadres zal niet getoond worden. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

Scroll naar boven