Dit is deel 6 en het laatste deel van onze reeks over de vijf elementen van het DMM van Crittenden. Deel 1 vind je hier, deel 2 hier, deel 3 hier, deel 4 hier, deel 5 hier.
Relatiespecifieke kaarten in hechting zijn het vijfde element van het DMM van Crittenden. Mensen dragen geen globale hechtingsstijl, maar werkmodellen per relatie, ook in therapie.
Je kent dit moment.
Je zit al een tijdje met iemand. Het contact is er. Er is vertrouwen opgebouwd, zorgvuldig en stap voor stap. En dan gebeurt er iets in de sessie: een kleine misafstemming, een vraag die anders valt dan je bedoelde, een moment waarop jij iets te snel ging, en plots is alles anders.
De openheid verdwijnt. De cliënt trekt zich terug, wordt formeler, afstandelijker. Of het omgekeerde: ze raakt overspoeld op een manier die niet in verhouding lijkt tot wat er eigenlijk gezegd werd.
Je wil het herstellen. Maar je weet niet goed wat er precies verschoof.
Wat hier speelt, is het vijfde en laatste element van het DMM: relatiespecifieke strategieën. En het is misschien wel het element dat de meeste directe impact heeft op hoe je de therapierelatie begrijpt en beheert.
Hechting is geen globale stijl. Het is een set relatiespecifieke kaarten.
Geen globale stijl, maar relatiespecifieke kaarten
Een van de hardnekkigste ideeën in hechtingswerk is dat iemand één hechtingsstijl heeft. Dat je iemand kunt kennen als “vermijdend” of “ambivalent”, en dat die typering dan geldt in alle contexten, met alle mensen.
Het DMM denkt daar anders over.
Mensen dragen geen één globale hechtingsstijl mee. Ze dragen relatiespecifieke kaarten: werkmodellen van hoe het werkt met déze persoon, in déze relatie, met déze inzet. Die kaarten zijn opgebouwd uit herhaalde ervaringen in specifieke relaties, en ze sturen hoe het systeem zich gedraagt als diezelfde relatie weer geactiveerd wordt.
Wat dat betekent in de praktijk: iemand kan met een partner heel andere bescherming inzetten dan met een leidinggevende. Iemand kan thuis volkomen ontregeld zijn en op het werk feilloos functioneren. Iemand kan in een vriendschap nabijheid toelaten die in een romantische relatie onmogelijk voelt.
En iemand kan in therapie gedrag vertonen dat nergens anders terugkomt, of gedrag vertonen dat je herkent van alles wat de cliënt je heeft verteld over haar andere relaties.
De therapierelatie als echte relatiecontext
Dit is waar het klinisch echt scherp wordt: de therapierelatie is geen neutrale ruimte. Het is een echte relatiecontext, met eigen kansen én eigen dreigingen.
Jij bent een figuur met gezag. Iemand die vraagt, duidt, begrenst, aanwezig is. Iemand op wie een cliënt afhankelijk is: voor houvast, voor begrip, voor een kader. Die afhankelijkheid is therapeutisch nuttig. Ze is ook precies het soort context dat oude beschermstrategieën activeert.
Wat een cliënt bij jou doet, is dus niet willekeurig. Het is informatie over welke kaart geactiveerd wordt in deze relatie, op dit moment, met deze inzet.
De therapierelatie is geen oefenruimte. Het is een echte relatie.
De kaart die geactiveerd wordt
Neem David, 44 jaar. Hij heeft een goede werkrelatie met zijn therapeute. Hij is open, hij werkt serieus, hij brengt dingen aan die hem bezighouden. Na acht maanden zegt ze iets wat anders valt, niet verkeerd, maar scherper dan hij verwachtte. Een observatie over een patroon dat ze nu al een tijdje ziet.
David knikt. Hij zegt dat het klopt. Hij is beleefd, begripvol, zelfs dankbaar voor de eerlijkheid.
Hij annuleert de volgende sessie. En de sessie daarna.
Pas wanneer hij terugkomt en zijn therapeute er voorzichtig naar vraagt, blijkt: hij voelde zich geraakt op een manier die hij niet kon plaatsen. Niet door wat ze zei, maar door het feit dat ze het zei: dat ze hem zo precies zag, terwijl hij gewend is de mensen om hem heen net iets op afstand te houden van zijn binnenste.
De kaart die geactiveerd werd: in intieme relaties, als iemand te dicht bij komt, is de reflex om ruimte te maken. Niet door conflict. Door verdwijnen.
Zijn therapeute had niets fout gedaan. Maar de therapierelatie was intensief genoeg geworden om dezelfde dreiging te activeren als in zijn andere nabije relaties.
Wat je zoekt als je dit kader meeneemt
Als je met relatiespecifieke kaarten werkt, verschuift wat je zoekt in een traject.
Je zoekt niet naar één etiket dat iemand beschrijft. Je zoekt naar een patroon van verschuivingen: in welke relaties wordt bescherming sterker, in welke relaties blijft er meer keuze? Wat triggert de overgang? Welke context maakt nabijheid haalbaar, welke maakt die duur?
En concreet, in de therapierelatie zelf: wat maakt nabijheid met jou op dit moment goedkoper of duurder? Wat heeft er net plaatsgevonden waardoor het systeem opschuift naar meer bescherming? Wat heb jij gedaan of nagelaten dat het contact vergemakkelijkt of bemoeilijkt?
Dat zijn geen vragen die je jezelf stelt als iets fout gaat. Het zijn vragen die je doorlopend stelt, als onderdeel van hoe je het proces leest.
Herstel na misafstemming
Er is nog iets wat dit element toevoegt: het belang van herstel.
Misafstemming is onvermijdelijk. Je gaat te snel. Je stelt een vraag die verkeerd valt. Je mist iets wat de cliënt wel degelijk heeft aangeboden. Het systeem registreert dat, en reageert.
Wie dat kan lezen, wordt preciezer in wat er daarna nodig is. Niet door het te minimaliseren of snel te herstellen met extra warmte. Maar door het te benoemen, eenvoudig en zonder dramatisering: “Ik merk dat er iets verschoof. Ik wil even stilstaan bij wat er net gebeurde.”
Dat herstelmoment is niet alleen klinisch nuttig. Het is ook informerend: hoe reageert dit systeem op herstel? Kan het ontvangen worden? Of is ook herstel gevaarlijk, omdat het nabijheid impliceert die te risicovol voelt?
De manier waarop iemand reageert op jouw herstelpoging vertelt je veel over de kaart die actief is.
Misafstemming is normaal. Wat telt, is wat erna gebeurt.
Een reeks die hier stopt, en toch doorgaat
Dit is de laatste blog in onze reeks over de vijf elementen van het DMM. We begonnen op 1 mei met het overzicht, en sindsdien gingen we twee weken per twee weken dieper op elk element in.
Het DMM is geen model dat je leest en daarna toepast. Het is een manier van kijken die je oefent: in sessies, in supervisie, in je eigen nadenken over wat er tussen jou en een cliënt speelt. Die oefening vraagt tijd en herhaling.
Wil je daarin verder? In onze reeks masterclasses gaan we met deze vijf elementen aan de slag in concrete gesprekssituaties. Niet als theorie, maar als klinisch kompas voor wat je live ziet en hoort. Meer informatie vind hier.
Of je start met de Startersgids ‘Hechting als strategie’: een concrete ingang in het DMM-kader, met herkenbare signalen, praktische vragen en een eerste vertaling naar je eigen gesprekken. Je vindt de gids hier.
We zijn benieuwd wat deze reeks voor je heeft opgeleverd. Wat herkende je? Wat veranderde er in hoe je naar een casus keek? Je kunt ons altijd bereiken via onze sociale kanalen, of stuur een mailtje naar info@depraktijkingelmunster.be